Preek van de week

Preek weekend 17-18 juli

Jeremia: hoofdstuk 23, 1-6
Brief van Paulus aan de Christenen van Efeze: Hoofdstuk 2, 13-18
Evangelie volgens Marcus hoofdstuk 6, 30-34

Broeders en zusters in Christus:

In de eerste lezing zegt de profeet Jeremia vier keer ‘Godspraak van de Heer’. Daarmee geeft de profeet aan hoe serieus, hoe ernstig hij is: Het is geen woord van mensen maar een woord van God. De eerste twee godsspraken zijn tegen de herders: ‘wee de herders’ en ‘Ik let op al uw misdaden’.
De twee volgende godsspraken zijn een belofte: ‘Zelf breng ik de overgebleven schapen bijeen’ en ‘Ik doe een wettig afstammeling van David opstaan die hen met bekwaamheid zal regeren en het land rechtvaardig en eerlijk zal besturen’.
Jeremia spreekt in de tijd van koning Sidkia, die een vazalkoning is van de bezettende koning van Babel. Hij is de laatste koning uit het huis van David voordat het volk in ballingschap wordt weggevoerd. De naam Sidkia betekent: De Heer is MIJN gerechtigheid.
Sidkia was alleen uit op eigen voordeel. Sidkia was niet uit op gerechtigheid voor het volk. Door de profeet Jeremia klaagt God hier Sidkia aan. Sidkia is geen herder zoala God het wilde zien. De profeet laat weten dat Sidkia de oorzaak is dat het volk in ballingschap gaat.

Maar Jeremia kondigt ook de komst aan van een andere koning. Die zal eveneens een wettige afstammeling van David zijn en men zal Hem noemen: De Heer is ONZE gerechtigheid. Daarmee wordt de Messias bedoeld, Jezus Christus. Hij heeft niet zijn eigen belang voor ogen, maar het belang van heel het volk, heel de mensheid. Jezus Christus is onze gerechtigheid. Die koning beschuldigt ons niet, integendeel, Die zal onze schuld op Zich nemen, ons vergeven en rechtvaardigen. Hij is onze gerechtigheid.

We hoorden vorige week in het Evangelie dat Jezus de twaalf twee aan twee voor de eerste keer uitzond om te prediken dat de mensen zich moeten bekeren, om duivels uit te drijven en om zieken te zalven met olie om hen te genezen. Nu keren zij terug en hebben precies gedaan wat Jezus hun gezegd had en wat zij ook Jezus zelf hebben zien doen. Marcus wil daarmee zeggen dat de zending van Jezus in de twaalf wordt voortgezet. Nu komen zij terug bij Jezus en brengen verslag uit. Marcus gebruikt hier voor de eerste keer het woord apostel. Tot nu toe noemde Marcus ze de twaalf of de leerlingen. Het woord apostel betekent uitgezondene. Van nu af aan zullen zij delen in de zending van Jezus. Hier ligt de kiem van de Kerk. De Kerk is een apostolische kerk door Christus gezonden.

Het is merkwaardig dat Jezus de apostelen allereerst naar een eenzame plaats wil brengen om alleen te zijn, om uit te rusten. Jezus neemt met zijn apostelen afstand van de zending.
In het Evangelie van Marcus heeft Jezus zich al eerder teruggetrokken. Nadat Jezus in Kafarnaüm onderricht gegeven, duivels uitgedreven en zieken genezen had, stond Hij diep in de nacht op, ging naar een eenzame plaats om te bidden. Simon en zijn metgezellen zeiden, toen ze Hem gevonden hadden: "Iedereen zoekt U." Jezus antwoordde hun: "Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen in de omtrek, opdat Ik ook daar kan prediken. Daartoe ben Ik immers uitgegaan."
Jezus nam afstand van de mensen, van het succes dat Hij scoorde en trok zich terug in het gebed om te herbronnen. Jezus doet het niet voor Zichzelf, noch voor zijn populariteit of anderszins.

De apostelen worden uitgenodigd om nu hetzelfde te doen, om bij Jezus op een eenzame stille plaats uit te rusten, zeg maar in retraite te gaan. En tussen deze twee rustmomenten in staat in het evangelie van Marcus de menigte mensen, alsof  zij door deze rust worden omgeven.
Marcus geeft daarmee aan dat Jezus deze rust niet wil gebruiken als een vlucht weg van de mensen, maar juist als een plek om op adem te komen, te bezinnen om de mensen beter te kunnen dienen, om de mensen op te nemen in zijn rust in zijn vrede.

Maar de menigte van vijfduizend mannen dringt op en is er eerder dan zij. Jezus ziet de menigte. Hij heeft diep medelijden met deze mensen want zij waren als schapen zonder herder, en Hij begint hen uitvoerig te onderrichten.
Dat Jezus uit medelijden uitvoerig begint te onderrichten betekent dat de mensen een geestelijke honger hebben. Dat is het herderschap van Christus en dus ook van de Kerk. Veel mensen hebben geen kennis meer van het geloof. Ze willen herders hebben in het geloof die hun richting geven welke weg ze moeten gaan, wat goed is en juist, wat ze kunnen hopen en verwachten, hoe ze met hun verdriet moeten omgaan, hoe ze in de hemel kunnen komen.

Op de religieuze markt staat de duivel met veel kramen. En hij schreeuwt: ‘Hier is het, dit is goed voor je!’ Maar wat is nu het ware geloof? Wat is het authentieke geloof? Waarin kan ik mij veilig bewegen zonder bedonderd te worden, zonder mijn vrijheid te verliezen, waarin ik helemaal mijzelf kan worden?
Jezus is onze gerechtigheid. Dat Hij niet voor Zichzelf gekomen is, mag duidelijk zijn als Hij gekruisigd wordt. Hij is niet, zoals allerlei waarzeggers en spiritisten enz., er op uit om er zelf beter van te worden. Hij wil dat wij van Hem beter van worden.

Volgende week horen we het vervolg op deze lezing en horen we de wonderbare brood vermenigvuldiging. Jezus voedt ons, als de goede herder, geestelijk en lichamelijk, door zijn woord, door het aardse voedsel en door het hemelse brood, de Eucharistie. Om die totaalvoeding, geestelijk en lichamelijk, bidden wij als wij zeggen: Geef ons heden ons dagelijks brood.

Jezus heeft medelijden met al die mensen die hun honger elders proberen te stillen met dat wat geen voedsel is, maar vergif, of die geestelijk zo leeg zijn dat ze geen honger hebben. Jezus, de herder van Godswege, de wettige afstammeling uit het huis van David, Hij brengt ons, zijn schapen naar zijn schaapstal, het huis van God. Hij is onze vrede, vandaag en alle dagen van ons leven. Amen.