Preek van de week

Preek weekend 24-25 februari

Lezing uit het Boek Genesis Gen., 22. 1-2. 9a. 10-13. 15-18
Lezing uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de
christenen van Rome Rom., 8, 31b-34

Lezing uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
volgens Marcus Mc., 9, 2-10

Broeders en zusters in Christus,

Op de ‘Tweede zondag van de Veertigdagentijd’ horen we ieder jaar in de lezing van het evangelie de gedaanteverandering van Jezus op de berg. Dat betekent dat deze gedaanteverandering gezien moet worden in het licht van het Paasmysterie waarop wij ons voorbereiden. Allereerst begint deze evangelielezing met de woorden, die in de liturgie weggelaten zijn: Zes dagen later nam Jezus de drie apostelen met zich mee. Marcus bedoelt eigenlijk, en dat zien we beter bij Lucas, een week later, of vandaag over acht dagen. Marcus telt de eerste en de achtste dag niet mee. De achtste dag, is tegelijkertijd de eerste dag, en de verrijzenis van Jezus vindt plaats op de achtste dag of op de eerste dag. De gedaanteverandering die dan plaatsvindt op de achtste dag, komt daardoor helemaal te staan in de het teken van de verrijzenis.

Wat gebeurde er zes ofwel acht dagen eerder? Toen begon Jezus hun te leren, dat de Mensenzoon veel zal moeten lijden en dat Hij door de oudsten, de hogepriesters en de Schriftgeleerden verworpen moet worden, dat zij Hem ter dood zullen brengen maar dat Hij drie dagen later zal verrijzen. Dat was voor de apostelen even schrikken. Petrus wilde er niet aan en zei: Dat verhoede God. Toen zei Jezus tegen Petrus: Ga weg, Satan!, je laat je leiden door menselijke overweging en niet door wat God wil.
Het is nogal wat, wat Jezus leert. Wij zijn met deze gebeurtenissen vertrouwd, maar de apostelen horen dat voor de eerste keer. Zelf denken zij veel meer aan een glorievolle toekomst en zeker niet aan een gewelddadig einde. Het gaat er bij hen niet echt in dat Jezus verworpen moet worden. Dat is wel wat zij moeten leren.

Met deze donkere toekomst in ons achterhoofd gaat Jezus nu de berg op met diezelfde Petrus en de beide broers Johannes en Jacobus. Voor de ogen van de apostelen straalt heel zijn goddelijkheid door de menselijkheid van Jezus heen. Bovendien verschijnen Mozes en Elia met Jezus, die lang geleden leefden. Mozes ontving de Tien Geboden, de Wet, op de Berg Sinaï. Elia is de grote profeet. God ging aan Elia voorbij niet in een storm of aardbeving maar in een zachte bries. Dat gebeurde ook op de berg Sinaï. Jezus staat het midden is, Hij is de vervulling van Wet en Profeten. Het is opmerkelijk dat de apostelen Mozes en Elia, die zij nog nooit gezien hebben, herkennen. Mozes en Elia zijn in de heerlijkheid zichzelf. Zo zullen ook wij in de heerlijkheid onszelf blijven en herkenbaar zijn.

Jezus heeft geleerd dat Hij moet lijden en nu vindt deze gedaanteverandering plaats. Zichtbaar wordt wie Hij werkelijk is: De Zoon van God! Hier op de berg Thabor horen de apostelen ook de stem van de Vader die het bevestigt: "Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, luistert naar Hem." Jezus, de welbeminde Zoon, wordt door de Vader ten zeerste bemind. Enerzijds omdat Hij de Zoon van de Vader is, logisch, zul je denken. Maar meer nog is Hij ten zeerste bemind omdat Hij mens heeft willen worden en als mens wil lijden en sterven om heel de mensheid te verlossen uit de macht van zonde en dood. Kom je dus aan de Zoon, dan kom je aan de Vader. Of zoals Jezus bij het Laatste Avondmaal zal zeggen: De Vader en Ik, Wij zijn één. Je kunt God niet bezitten zonder de Zoon. Heb je de Zoon, dan heb je de Vader, en dan heb je ook het leven. Daarom zegt de Vader: Luistert naar Hem. Wat er ook mag gebeuren: Blijf Hem trouw, een andere weg is er niet. Ook dat moeten de apostelen leren.
Deze gedaanteverandering is een geweldig moment dat je zo dicht bij God kunt zijn. In de viering van de heilige Eucharistie zijn wij ook heel dicht bij God en is God met ons. Wij zijn hier als het ware op de berg van de gedaanteverandering. En als je de zoetheid van de Heer geproefd hebt wil je niet anders meer dan daarin blijven. Petrus wil daarom drie heiligdommen bouwen, drie tenten, drie tabernakels waarin de Godheid woont en hij erbij. Maar nee! Ze hebben nog een opdracht te vervullen. Ze gaan nu nog niet naar de hemel. Ze moeten terug naar beneden, naar de werkelijkheid, naar de mensen met hun problemen en zorgen, naar het volk dat met elkaar kibbelend en vechtend over straat rolt. Ook wij verlaten straks de Eucharistie en gaan terug naar onze werkelijkheid. Maar de apostelen en ook wij weten nu wel dat Jezus de Mensenzoon is, de Zoon van God. Zij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd. Die ervaring zullen ze hard nodig hebben als een steun in de rug als zij de volgende berg moeten beklimmen, waar ze nog geen weet van hebben: de Calvarieberg.

De Calvarieberg is haast de tegenpool van de berg van de gedaanteverandering. Op de Calvarieberg is Jezus opnieuw het middelpunt. Hij hangt in het midden tussen twee misdadigers. Jezus wordt Jezus tot de misdadigers gerekend en wel de grootste. Daar is geen heerlijkheid maar een allerdiepste vernedering. Vandaag op de berg is zijn kleding hemelswit. Op de Calvarieberg hangt Hij aan het kruis van zijn kleren beroofd, in schaamte en schande. Daar schijnt het licht niet meer, maar wordt de zon verduisterd. Daar is geen stem van God maar een stilte en een godverlatenheid. Het is de honderdman die dan uitroept: ‘Waarlijk, deze is de Zoon van God!’

En juist waar God het meest verlaten lijkt, is Hij het meest nabij. Als menselijkerwijze gezien alles over en voorbij is, staat God klaar en grijpt Hij in. Als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Als de wereld uitgespeeld is en zijn macht heeft doen gelden en een onschuldige heeft vermoord, laat God zijn almacht zien. God zal zijn Zoon uit de dood doen opstaan en Hem opnemen in zijn heerlijkheid over de dood heen, in de heerlijkheid die Hij vandaag heeft laten zien. In zijn dood wordt de dood overwonnen en verslagen. De almacht van God overwint de dood. God gebruikt het kwaad om de overwinning te behalen. Gods almacht maakt het kwaad krachteloos. God gebruikt het kwaad om in zijn glorie binnen te gaan. Dat is wonderbaarlijk.

Met de ervaring van de gedaanteverandering van vandaag kunnen ook wij met vertrouwen de toekomst ingaan, opgaan naar het Pasen, wetend dat ons de glorierijke overwinning wacht. Daarom klinkt aan het einde van iedere Eucharistieviering: Gaat nu allen heen in vrede. Want de overwinning van Pasen hebben wij vandaag op voorhand mogen aanschouwen.
Maria is ons voorgegaan. Door haar tenhemelopneming is zij al in die glorie binnengegaan waar zij onze machtige voorspreekster is. Heilige Moeder van God, bid voor ons. Amen.