Preek van de week

Preek weekend 30 november-1 december, (1a) Mt 24, 37-44

Broeders en zusters in Christus,

De eerste zondag van de Advent staat in het teken van de wederkomst van Christus. In on-ze geloofsbelijdenis belijden wij: Hij zal wederkomen om te oordelen levenden en doden. Wij zijn op weg naar de viering van Kerstmis om te vieren dat God naar deze wereld geko-men is. Dat is zijn eerste komst. God is mens geworden, Hij is naar ons toe gekomen niet om te oordelen. Als Hij gekomen was om ons te oordelen, dan werden wij allemaal veroordeeld. Neen, Hij is naar ons gekomen juist om ons te verlossen van zonde en dood. Wij waren dus allemaal al veroordeeld, want dood was ons aller lot. Om ons te bevrijden van ons bestaan ten dode heeft Hij  zijn bloed vergoten op het kruis en heeft Hij voor ons de dood verslagen door zijn verrijzenis. Zie toch hoe groot zijn liefde voor ons is.

Zijn liefde voor ons mogen wij vieren in ons hart. Het hart is immers de zetel van de liefde. In het persoonlijke stille gebed kunnen wij Gods liefde voor ons ervaren, beleven en koesteren. Mensen die niet bidden, die niet binnengaan in de stilte van het hart, zullen nooit de liefde van Christus kennen, en niet kunnen weten hoe groot de liefde van God voor ons is, hoezeer wij door God bemind zijn.

Zonder gebed wordt het geloof een zaak aan de buitenkant. De Bijbellezingen zeggen hun niks, de gebeden van de Kerk en de vieringen zijn saai, want het kan niet binnendringen in hun hart. Zij verontschuldigen zich van hun ongelovig handelen door te zeggen: Wij doen toch niemand kwaad? Inderdaad dat klopt. Maar hun hart is leeg. Zij hebben God niet nodig, het gaat ook heel goed zonder Hem. Het geloof is alleen maar een belasting, allemaal verplichtingen, je moet zoveel en je mag niks. En God vindt het toch helemaal niet zo erg als je zondags niet naar de kerk gaat. Als je maar goed bent voor de ander!

Jezus vergelijkt deze mentaliteit met de dagen voor de zondvloed. De mensen gingen door met eten en drinken, met huwen en ten huwelijk geven. Zij leefden zonder aan God te denken. En God kreeg spijt dat Hij de mens geschapen had. Hij had hen geschapen naar zijn beeld en gelijkenis, om hun zijn liefde te openbaren. De mensen waren Hem niet dankbaar en hadden geen liefde voor Hem. Zij leefden los van God en gingen hun eigen weg.

De wederkomst vergelijkt Jezus nu met de zondvloed. Noach en zijn gezin werden gered de rest ging verloren. Jezus zal wederkomen. Maar, is Hij degene die wij verwachten? Zien wij uit naar zijn verlossende komst? Wij zijn door God en zijn Zoon ten volle bemind. Alles heeft Hij ons gegeven. Wat had Hij nog meer moeten doen? Onze liefde is vaak zo lauw. Daarom geeft de Kerk ons deze Adventtijd, een tijd om te groeien in liefde voor Hem. In ons hart brandt misschien nog maar één kaarsje. Het moeten er vier worden, ons hart moet volledig branden van liefde voor Christus. Hij is onze grootste weldoener en het hoogste goed.

Laten we een vergelijking maken. Toen in 1944 Brabant bevrijd werd van de vijandige overheersing door het nationaal socialisme, liepen de mensen uit om de bevrijders met grote blijdschap te begroeten. Het was een vreugde om hen binnen te halen die bevrijding brachten. Hoezeer zag men niet uit naar de bevrijding van vreemde machten. Zo mogen wij uitzien naar de komst van Christus, de Heiland, die ons verlost en bevrijdt uit de macht van het kwaad van zonde en dood.

Een ander voorbeeld. Op de dag van het huwelijk komt de bruidegom naar het huis van de bruid om haar mee te nemen als vrouw. Met welk een liefdevolle en vreugdevolle spanning kijkt de bruid niet uit naar de komst van de bruidegom? En zij gaat met hem mee.

Zo vergelijkt Jezus de wederkomst. Hij is de Verlosser, de Heiland, Hij is de Bruidegom. Maar zien wij, ziet de wereld uit naar zijn komst? Zij die naar Hem uitzien, lopen Hem tegemoet, gaan met Hem mee. De ander blijft achter.
Er werken twee op de akker, dat zullen mannen zijn. Beiden doen hetzelfde werk. Ze doen geen kwaad, ze werken voor hun levensonderhoud. Toch wordt de een meegenomen en de ander achtergelaten. Er zijn twee vrouwen met de molen aan het malen. Zij doen toch ook geen kwaad! Toch wordt de één meegenomen de ander achtergelaten. Zij die meegenomen worden hebben een liefde voor Christus. Die achterblijven zijn onverschillig.

Welke bruid laat de bruidegom wachten? Wie was er niet blij toen de Engelsen ons kwamen bevrijden? Zij, die achterblijven, zijn niet waard dat zij het Koninkrijk van God binnengaan. Daar ligt het oordeel. Niet Christus oordeelt, de mensen oordelen over zichzelf. Maar Jezus is wel gekomen ten oordeel. Hijzelf is het oordeel: Wie niet voor Mij is, is tegen Mij.

Daarom roept Jezus ons op waakzaam te zijn, dat wij in een liefdevolle waakzaamheid uitzien naar zijn komst. Moge deze advent een tijd zijn om te groeien in zijn liefde. Hoe meer wij groeien in liefde voor Hem, in het gebed, hoe blijder wij worden in ons hart. De adventstijd is een vreugdevolle tijd, om te groeien in blijdschap om zijn komst. Dan staan wij ook standvastiger in geloof. Het kwaad blijft weliswaar nog steeds in de wereld, maar het dringt niet meer zo diep door in mijn hart, want God is met míj. Hij legt een schild om zijn getrouwen heen. Of zoals wij zingen Mijn schild ende betrouwe zijt Gij, o God, mijn Heer. En hier in de Eucharistie komt Hij ons nu al tot ons.

Moge de adventtijd een tijd van vreugde zijn om de komst van Hem die wij verwachten. Laten we met blijdschap zingen de bekende woorden: Vol verwachting klopt ons hart. Amen.