Preek van de week

Preek zondag 6 oktober, 28e zondag door het jaar (C) Lc.17:11-19

Broeders en Zusters in Christus,

Elke week worden  christenen geroepen om samen te komen op zondag voor de eucharistieviering. Eucharistie vieren betekent letterlijk “dankzegging”. Maar weten we ook waarvoor we danken en wanneer dat gebeurt? Het danken in de eucharistieviering gebeurt in het eucharistisch gebed. Week na week danken we God vooral  om Jezus Christus. Om nooit te vergeten wat Jezus voor ons deed, gedenken we zijn offer. Als je dat probeert uit te leggen aan jongeren zijn er altijd wel enkelen die antwoorden dat ze  niet om dat offer gevraagd hebben. En dus vinden ze dan ook dat ze niet dankbaar  hoeven te zijn. Dat iemand iets doet voor je, zonder dat je het vraagt, betekent misschien dat die ander je heel graag ziet. En dus lijkt er wel een gegronde reden om Jezus te danken. De Vraag is natuurlijk: doen we dat ook?

Dit heeft ook te maken met de lezingen van deze zondag. Het gaat in de eerste lezing en het evangelie over melaatsheid. Een ziekte die iemand onrein maakte en buitensloot uit de gemeenschap. Melaatsen waren uitgestotenen. Maar hier gaat het over een lichamelijke genezing en om een geestelijke genezing. De nadruk valt op het feit dat de buitenlander, de heiden, Naäman, dankbaar erkent: "Nu weet ik dat er in Israël een God is en nergens anders op aarde". En in het evangelie is het een Samaritaan, die terugkeert naar God om Hem te danken. Het gaat, om het zich dankbaar toewenden tot de reddende God, die heel maakt en die heil brengt. Er werden ook nog negen anderen gereinigd door Gods reddende kracht. Die negen waren Joden en dus  mensen die van huis uit vertrouwd waren met God en de Schriften. Ze kwamen niet terug om Jezus te danken.

Jezus vraagt: zijn niet alle tien gereinigd? Waar zijn dan de negen anderen? Misschien zouden wij ons die vraag ook aan moeten trekken. Want we hebben zeer veel, om dankbaar voor te zijn. Uit onszelf waren we als melaats, uitgestoten van Gods goedheid, getekend door onze menselijke zondigheid. We hadden geen zekerheden dan alleen onze zelf gemaakte zekerheden, die steeds weer onzeker blijken te zijn. Door de Kerk, door onze ouders, door onze opvoeding hebben we Christus ontmoet. Hij heeft in het doopsel onze zondige melaatsheid afgewassen. Hij heeft ons van buitenstaanders tot kinderen van God gemaakt en ons de zekerheid beloofd tot eeuwig leven in de liefde van God. En Zijn wij werkelijk dankbaar? We leven vaak langs de grote genaden die ons geschonken zijn heen alsof ze vanzelfsprekend zijn. We beschouwen ons godsdienstige leven nog al eens als een lastige plicht die vervuld moet worden.
Of we kijken hoe we aan sommige verplichtingen kunnen ontsnappen. De Syriër en de Samaritaan en de bekeerling zijn het, die ons pijnlijk wijzen op ons tekortschieten in dankbaarheid.

We moeten het tot ons laten doordringen hoe weinig vanzelfsprekend het is, dat Christus ons verlost heeft tot eeuwig leven.  Dat wij door het doopsel ‘gratis en voor niks’ deel krijgen aan dat nieuwe leven. Dat wij door Christus tot God mogen naderen als tot een liefdevolle Vader. Dat we mogen leven binnen het veilige schip van de Kerk aan wie God zijn onfeilbare Geestkracht, ondanks alle menselijk falen beloofd heeft.  Waaraan zouden wij in Godsnaam onze zekerheid in leven en sterven ontlenen, als er de Kerk niet was die in Christus' naam Gods woord verkondigt en onfeilbaar leert. Zou het ons niet passen blij en dankbaar te zijn voor de sacramenten van Christus' nabijheid, waardoor Hij ons helpt ‘op de weg ten leven’ te blijven. Vooral het sacrament van de eucharistie. Dat zorgt dat het eeuwig leven niet afsterft in ons maar gevoed wordt door Christus zelf. En ook het sacrament van de boete, waardoor Christus ons, als we als zwakke mensen ‘uit de boot zijn gevallen’, weer binnen trekt in het schip van de Kerk en daarmee in Gods genade.

Het is merkwaardig dat die negen mensen geen dankbaarheid toonden. Vonden ze het vanzelfsprekend of dachten ze misschien dat ze recht op genezing hadden als leden van het volk van God. In ieder geval zegt Jezus alleen tot de Samaritaan: dat zijn geloof hem heeft gered. Als enige, is met de Samaritaan, meer gebeurd dan lichamelijke genezing alleen. Hij is gered. Dankbaarheid en geloof liggen blijkbaar heel dicht bij elkaar. Gereinigd zijn, schoon gewassen door de doop, je katholiek kunnen noemen, betekent nog niet automatisch dat je gered bent. Dankbaar leven van de genade en zien als iets dat je dankbaar mag doen omdat God je wil redden uit een uitzichtloos bestaan, dat is het echte leven  uit  geloof- dat redding brengt. Henri Nouwen zegt het volgende: “Dankbaar zijn voor al het goede dat er in je leven gebeurt, is niet moeilijk.  Maar dankbaar zijn voor heel je leven-voor goed en kwaad, blije en zorgelijke momenten, voor alles wat gelukt en mislukt is, voor wat beloond en niet beloond is –vergt geestelijke oefening. Dankbare mensen zijn we pas echt als we dank kunnen zeggen voor alles wat het leven ons gebracht heeft. Zolang we ons leven verdelen in mensen en gebeurtenissen, die we ons willen herinneren, en andere, die we willen vergeten, accepteren we ons leven maar gedeeltelijk. Dan beschouwen we de volheid van ons wezen niet als een geschenk van God, als een leven om dankbaar voor te zijn”. Amen.