Preek van de week

Preek Witte Donderdag 18 april,

Dierbare broeders in het priesterambt, dierbare broeders en zusters in Christus:
De evangelist Johannes verhaalt niet het Laatste Avondmaal als de instelling van de Eu-charistie. Johannes heeft als enige evangelist de voetwassing. Johannes begint op een plechtige, bijna liturgische manier de voetwassing te vertellen: Het Paasfeest was op han-den. Jezus, die wist dat zijn uur gekomen was om uit deze wereld over te gaan naar de Vader en die de zijnen in de wereld bemind had, gaf hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe.

Het 'naar de Vader gaan' is een overgang. Het is niet een weggaan uit een ene en een bin-nengaan in het andere. Die overgang houdt een verandering in, een omvorming, een transformatie. Jezus gaat naar de Vader maar neemt heel zijn heilig menszijn mee. Maar zijn menszijn transformeert, gaat over in een andere vorm. Zijn menszijn wordt, zoals Jo-hannes het heel vaak zegt: 'verheerlijkt'. In het woord verheerlijken zit het woord heer. Een koning heeft een koninkrijk en een heer een heerlijkheid. Het binnengaan in de heer-lijkheid van God heet verheerlijken. God is de Heer. Verheerlijken is een gelijk worden aan God. Jezus nu wordt verheerlijkt in zijn lichamelijke dood. Van daaruit wordt zijn menszijn opgenomen in de heerlijkheid van de Vader. Het uur van deze overgang van Christus is nu gekomen.

Jezus had de zijnen in de wereld bemind. De wereld is bij Johannes een negatief begrip. De wereld is al datgenen wat niet van God is en dat verlossing nodig heeft. Als wij zeggen dat iemand zich tot de wereld bekeerd heeft, dan zeggen we dat hij zich van God heeft af-gewend. God is in Jezus naar de wereld gekomen juist om die wereld, die los is van God, met God te verzoenen. Jezus gaf een bewijs van zijn liefde die gaat tot het uiterste. Als we deze woorden horen dan denken we aan het kruisoffer van Christus, waar Hij zichzelf he-lemaal gegeven heeft, waar liefde tot het uiterste echt zichtbaar wordt.

De macht van de wereld is de dood. Als de wereld uitgespeeld is, dan komt het verlossen-de ingrijpen van God. Hij redt zijn Zoon uit de dood, door zijn verrijzenis. De Vader ver-heerlijkt Hem en verheft Hem uit de dood en heeft Hem een Naam gegeven die hoog bo-ven alle namen is. Jezus gaat ons voor in zijn overgang naar de Vader.

Het omhooggeheven worden op het kruis, het ingaan in de dood, is daarmee tegelijkertijd een verheffing geworden naar de heerlijkheid van de Vader. Het is Jezus' wil en dus ook de wil van God dat de wereld ook overgaat naar de Vader, dat de wereld, en daar horen wij ook bij, ook verheerlijkt wordt. Daarom zegt Jezus als laatste op het kruis: Het is vol-bracht. Daarom zingen wij met Paulus' woorden als intredelied: Wij roemen in het kruis van onze Heer Jezus Christus, in Hem is ons heil ons leven en verrijzenis, door wie wij ver-lost en bevrijd zijn. 

Maar om verheerlijkt te worden, om te kunnen overgaan naar de heerlijkheid van de Va-der,  vraagt om een zuiverheid, daartoe moeten wij rein worden. De enige die ons kan reinigen is Hij, die zelf rein is, Jezus Christus. Om ons te reinigen, om de Kerk te reinigen, wast Jezus de voeten van zijn apostelen. Het zou Johannes niet zijn als hij daar niet een diepere betekenis in ziet.

De apostelen lagen aan aan tafel. Als je vuile voeten hebt, zij lopen op sandalen, dan lig je niet lekker aan tafel. Jezus wil allereerst laten zien dat Hij een dienaar is, en dus is Hij ook een voorbeeld voor zijn apostelen. Niet zomaar een dienaar, maar de allernederigste dienaar, Jezus doet slavenwerk. Hij doet het werk van iemand op wie neergekeken wordt. Dat wordt helemaal zichtbaar op het kruis.
Petrus snapt dit nog niet. Petrus wil niet dat de Heer, als een slaaf, zijn voeten wast. Daar heeft hij Jezus te hoog voor. "Nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen!". Zijn idee van de Messias hield een beeld in van majesteit, van goddelijke grootheid. Petrus moet nog steeds leren dat de grootheid van God anders is dan ons idee van grootheid. De grootheid van God bestaat in dienende liefde, een totale zelfgave. Hoeveel mensen leven niet met een idee van een God die groot is en machtig, en alles zou moeten kunnen  rege-len?

Ook wij moeten steeds opnieuw leren dienstbaar te zijn met een totale zelfgave. Hoeveel mensen willen wel dienstbaar zijn, maar als het niet gaat zoals zij het willen, dan stoppen zij ermee. Iedere keer weer verlangen ook wij naar een God van het succes en niet van het Lijden.
 
Als de Heer tegen Petrus zegt dat hij zonder de voetwassing zijn deelgenoot niet kan zijn, dan zegt Petrus meteen: "Dan niet alleen mijn voeten maar ook mijn handen en mijn hoofd". Dan zegt Jezus de mysterievolle woorden: "Wie een bad heeft genomen, behoeft zich niet meer te wassen tenzij de voeten". Jezus spreekt nu over een bad. Petrus is al rein, Hij heeft al een bad gehad! Even later zegt Jezus: Gij zijt al rein dankzij het woord dat Ik tot u gesproken heb.

Dagelijks worden wij als het ware overdekt met vuilnis in allerlei vormen, het vuil van lege woorden, van vooroordelen, van kortzichtige en bedorven wijsheid. Een veelvoud aan halve of openlijke onwaarheden komt aanhoudend in ons binnenste, en dingen die kwaad zijn gaan wij gewoon vinden. Dat alles verduistert en besmet onze ziel, waardoor wij de waarheid niet meer kennen, noch wat goed is, en erger nog: we gaan het kwaad als goed aannemen. Als wij de woorden van Jezus met een aandachtig hart in ons opnemen, worden dat echte wassingen, echte zuiveringen van de ziel, van de innerlijke mens.

Het bad, dat niet herhaald hoeft te worden, is natuurlijk ons doopsel, waardoor wij rein gewassen zijn. Door ons doopsel zijn wij met Christus bekleed, zijn wij een nieuwe mens geworden. In ons doopsel hebben wij een nieuwe identiteit gekregen hebben. Het doop-sel is ons paspoort om volk van God te zijn. Wij moeten erkennen dat wij ook in onze nieuwe identiteit als gedoopten zondigen, niet beantwoorden aan die nieuwe identiteit. Wij hebben de zondebelijdenis nodig zoals deze gestalte heeft gekregen in het Sacrament van de Verzoening. In dat sacrament wast de Heer steeds opnieuw onze vuile voeten en om met Hem aan tafel te kunnen te zitten, om maaltijd gemeenschap te hebben met Hem.

Het Evangelie van de voetwassing nodigt ons uit: dat wij ons door dit zuivere water op-nieuw laten reinigen, om ons geschikt te maken tot de tafelgemeenschap met God en met elkaar. De Heer gaat verder. Hij maakt er een opdracht van voor ons allen, een dienst die wij elkaar moeten verlenen: "Als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan be-hoort ook gij elkaar de voeten te wassen". Wij moeten elkaar de voeten wassen als een dagelijkse wederzijdse dienst van de liefde, maar meer nog moeten wij elkaar de voeten wassen in de zin dat wij elkaar steeds opnieuw moeten vergeven. De schuld die de Heer ons vergeven heeft, is altijd oneindig meer dan alle schulden die anderen jegens ons kun-nen hebben.

Witte Donderdag spoort ons aan: dat wij niet toelaten dat de wrok jegens de ander een diepe vergiftiging in de ziel wordt.
Witte Donderdag spoort ons aan voortdurend ons geheugen te zuiveren, door elkaar van harte te vergeven en elkaar de voeten te wassen, om ons zo samen naar de maaltijd van God te begeven, en wij in witte gewaden kunnen aanzitten aan het bruiloftsmaal van de Heer.
Witte Donderdag is een dag van dankbaarheid en van vreugde om de grote gave van de liefde die de Heer ons tot het uiterste toe heeft geschonken.

Moge de liefde die de Heer ons betoont ons vervullen met dankbaarheid en grote vreug-de, en moge dat onze kracht zijn om op onze beurt elkaar te beminnen en te vergeven. Dan zijn wij het volk van God, dat Christus Zich op het kruis verworven heeft. Amen.