Preek van de week

Preek zondag 17 januari, 2e zondag door het jaar (b), Joh. 1, 35-42

Broeders en zusters in Christus,

In de eerste lezing hoorden we het roepingsverhaal van Samuel. Het lijkt een verhaal dat ver weg is, maar ik wil u het verhaal vertellen van een priester voor wie dat roepingsver-haal werkelijkheid werd.

Als kind wilde hij al priester worden. Na zijn eerste communie werd hij meteen misdienaar en leerde alle Latijnse gebeden uit zijn hoofd. Na zijn middelbare school kwam weer dat verlangen om priester te worden, maar de veranderingen in de kerk en de samenleving maakten het niet aantrekkelijk om daarin priester te zijn. Hij ging studeren en deed dat met veel plezier.
Na zijn studie vervulde hij zijn militaire dienstplicht. Opnieuw kwam het verlangen omhoog om priester te worden. Hij zei toen bij zichzelf: Als ik priester moet worden dan moet God dat maar laten blijken. Niet ik moet priester willen worden maar God moet het willen, het is immers roeping.

Hij was een actieve vrijwilliger in de parochie. Op een zondag na de hoogmis vroeg de pas-toor hem: ‘Zou jij geen priester willen worden?’ Die man antwoordde: ‘Ik ben daarover aan het nadenken.’ Maar hij was hevig geschrokken door die vraag van de pastoor en hij vroeg zich af: waarom vraagt hij dat? Word ik nu geroepen? Een paar dagen later vroeg hij die pastoor waarom hij die vraag gesteld had. De pastoor antwoordde: ‘Het kwam ineens in mij op. Ik was helemaal niet met jou bezig’. Maar zo vroeg die man: ‘Hoe weet ik nu dat God roept?’ De pastoor antwoordde: ‘Ken je het verhaal van Samuel? Samuel werd meer keren geroepen voordat hij antwoord kon geven.’     

De man dacht: Oké, laat God maar komen. Vanaf dat moment legde hij zich ernstig toe om een gelovig leven te leiden om Gods wil te leren kennen. Hij besteedde veel tijd aan het ge-bed, hij las de heilige schrift en wilde een evangelisch leven leiden. Hij ging zoals gewoonlijk iedere zondag naar de kerk, maar nu met meer aandacht: Roept God mij? Het viel hem op dat hij zo weinig het woord van God hoorde. In de preek ging het over kruisraketten, kern-bewapening, maar het woord van God werd niet verkondigd.

Als misdienaar was hij al vroeg vertrouwd met de liturgie en hij zag dat veel priesters de liturgie niet vierden zoals het behoort. Ze maakten er theatershows en kinderspeelplaatsen van: touwtje springen en het gooien met ballen. Hij hoorde toen zelfs eens priester tegen een seminarist zeggen: ‘Hoe haal je het in je hoofd om in deze tijd in deze kerk priester te willen worden?’
Priester worden vraagt heel veel. Je gaat ongehuwd door het leven en hij zag zichzelf al ge-trouwd en vader van een gezin. Dan moest hij allemaal loslaten. In zijn gebed overwoog hij: Je kunt in het huwelijk heel gelukkig worden, maar ook heel ongelukkig, Je kunt als celiba-tair priester heel gelukkig worden maar ook heel ongelukkig. Maar welk geluk is voor mij weggelegd? Noch het een noch het ander is vanzelfsprekend voor het geluk’.

Hij ging naar zijn oud-pastoor, die op emeritaat was, en bij wie hij vroeger altijd misdienaar geweest was. Dat was een echte priester en een praktisch ingestelde man. Die zei hem kort en krachtig aan welke dingen en mensen hij waarde moest hechten, en waar aan en aan wie niet. Die oud-pastoor eindigde het gesprek met: ‘Weet je wat de lezing van komende zondag is?’ De roeping van Samuel! Dat is deze zondag. Dat is de tweede keer dat Samuel bij hem op de proppen kwam.

Nu wilde het toeval dat hij juist dat weekeinde, en dat is dus dit weekeinde, met een aantal katholieke jongeren zou doorbrengen in het benedictijnen klooster in Egmond. Gespannen ging hij daar heen en bracht veel tijd in gebed door.
Het verhaal van de verloren zoon kwam in hem op. Hij dacht bij zichzelf: ‘Ik moet als de verloren zoon naar de hemelse Vader terugkeren of Hij mij in dienst wil nemen.’ Hij ging bij een pater biechten en die zei hem: Gefeliciteerd, je bent geroepen. Zelf voelde hij dat nog niet. Hij had nog geen intieme band met de Heer.

Hij had alles overdacht en tegen zichzelf had hij al gezegd: ‘Je moet geen priester worden. Dat moet jij niet willen’. Toch had hij het verlangen om priester te zijn. Waarnaar verlangde hij dan? Hij las het evangelie van deze zondag. Johannes en Andreas volgden Jezus en gin-gen Hem achterna. Jezus draait zich plotseling om, alsof Hij ze doorzag, en vraagt: ‘Wat verlangt ge?’ Zij antwoordden: ‘Meester, waar houdt gij verblijf, wij verlangen naar jou?’ De man herkende dat verlangen.

Met dat lege verlangen ging hij die zaterdagavond na de dagsluiting naar zijn kamer in dat klooster. Hij las een meditatie in een boek waarin hij al een tijdje aan het lezen was. En die avond las hij: ‘Als je voor een levensbeslissing staat, weet dan, dat niet jij die beslissing neemt maar dat de Heilige Geest in jou die beslissing zal nemen’. De mediatie eindigde, vol verrassing, met een verwijzing naar de roeping van Samuel, die ook nog geen intieme rela-tie met de Heer had. Toen hij dat las, was dat voor hem te veel. Weer die roeping van Sa-muel, alsof de Heer hem riep.

De volgende morgen bad hij met de monniken mee in het nachtgebed en het ochtendge-bed. En in het ochtendgebed, en dat is op deze zondag, sprak de Heer tot hem in zijn hart: Hij riep hem bij zijn naam en zei: ‘Jij moet priester worden’. De onrust daalde af uit zijn li-chaam en hij werd vervuld met een onuitsprekelijke vreugde: ‘Ja, ik moet priester worden. Ik ben geroepen. De Heer heeft mij gezien en onverwacht ben ik opnieuw geboren. Ik mag in dienst staan van de Heer in zijn tempel, in zijn Kerk, net als Samuel’. Augustinus had ook zo’n ervaring en schreef later: Onrustig is ons hart tot het zijn rust vind in U.

Nu wist hij, en dat mogen ook wij weten, de Heer laat ons niet in de steek, Hij bemint ons. Zolang hij nog mensen roept om zijn priester te zijn laat Hij ons zijn liefde zien. Daarom moeten wij vurig bidden om nieuwe priesters, die Christus verkondigen, Gods liefde en Zijn goedheid opdat wij God mogen kennen en zingen: Gij, Heer, zijt al mijn verlangen. Naar u gaat mijn verlangen, Heer.

De man is een gelukkig priester en iedere dag dankt hij de Heer dat hij zijn priester mag zijn. Dit weekeinde is het 36 jaar geleden dat hij zijn roeping heeft ontvangen. U kent die priester. U ziet hem. Hij is het die tot u spreekt. Amen.